De Wte 1995 als inspiratiebron voor reclamerende beleggers
Guido Roth, april 2005
Als gevolg van de koersdalingen die zich de laatste jaren hebben voorgedaan zoeken beleggers en masse naar compensatie voor door hen geleden verliezen. Dientengevolge worden allerlei soorten financiële instellingen thans op grote schaal in rechte betrokken. Geen rechtsgebied is zo conjunctuurgevoelig en opportunistisch als het litigieuze effectenrecht.
Dat heeft ook geleid tot een toegenomen belangstelling voor de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (‘Wte 1995′). De Wte 1995 en de daarop gebaseerde regelgeving worden door advocaten van zich gedupeerd voelende beleggers uitgeplozen op zoek naar bruikbare grondslagen om hun vorderingen te onderbouwen. Het brengt hen tot de diepste spelonken van de Nadere Regeling Gedragstoezicht 2002 (‘Nadere Regeling’). Op zichzelf genomen is dat niet verwonderlijk. De Wte 1995 strekt er immers mede toe beleggers te beschermen. Bovendien biedt met name de Nadere Regeling een schier onuitputtelijke bron aan regels waar effecteninstellingen aan moeten voldoen. Die regels kunnen ze dus ook schenden.
De vraag is evenwel of, en zo ja in welke mate de Wte 1995 beleggers van pas kan komen in civielrechtelijke procedures waarin zij trachten de gepretendeerde schade te verhalen op de betreffende financiële instelling. In deze bijdrage worden, zonder enige pretentie van volledigheid, beschouwingen gewijd aan deze vraag. Biedt de Wte 1995 alleen handvatten aan de Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) voor het door haar uit te oefenen toezicht op financiële marktpartijen, zodat beleggers daar slechts (indirecte) publiekrechtelijke bescherming aan kunnen ontlenen? Of kan de belegger zich ook (direct) in civielrechtelijke verhoudingen met financiële instellingen op de Wte 1995 beroepen?
Daarnaast wordt ingegaan op de vraag of overtreding van de Wte 1995 door een onder toezicht van de AFM staande instelling de belegger de mogelijkheid biedt de AFM daarop met succes in rechte aan te spreken.
